Woordenboek
Alle belastingtermen helder uitgelegd
20 begrippen
30%-regeling
Belastingvoordeel voor buitenlandse werknemers met specifieke expertise.
Box 1 – Inkomen uit werk en woning
Het belastingboxje waar je loon, winst en eigen woning in vallen.
Box 2 – Inkomen uit aanmerkelijk belang
De box voor DGA's en aandeelhouders met 5% of meer aandelen in een BV.
Box 3 – Inkomen uit sparen en beleggen
De vermogensbelasting over je spaargeld, beleggingen en vastgoed (exclusief eigen woning).
Eigenwoningforfait
Een percentage van de WOZ-waarde dat je bij je inkomen moet optellen als huiseigenaar.
Giftenaftrek
Giften aan goede doelen kun je onder voorwaarden aftrekken van je belasting.
Heffingskorting
Kortingen die direct worden afgetrokken van je te betalen belasting.
Hypotheekrenteaftrek
De rente op je hypotheek aftrekken van je belastbaar inkomen in box 1.
Inkomstenbelasting
De belasting die je betaalt over al je inkomsten, verdeeld over drie boxen.
Jaarruimte
Het bedrag dat je jaarlijks belastingvrij mag sparen of beleggen voor je pensioen.
Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA)
Extra aftrek als je tussen €2.801 en €387.580 investeert in bedrijfsmiddelen.
M-biljet
Speciaal aangifteformulier voor het jaar dat je naar of uit Nederland verhuist.
MKB-winstvrijstelling
13,31% van je winst is vrijgesteld van belasting – voor alle IB-ondernemers.
Startersaftrek
Extra aftrek van €2.123 voor ondernemers in de eerste drie jaar van hun bedrijf.
Urencriterium
Je moet minimaal 1.225 uur per jaar aan je onderneming besteden voor bepaalde aftrekposten.
Vermogensrendementsheffing
Belasting op een fictief rendement over je vermogen in box 3.
Voorlopige aanslag
Een voorschot van de Belastingdienst op basis van een schatting van je inkomen.
WOZ-waarde
De door de gemeente vastgestelde waarde van je woning, gebruikt voor belastingen.
Zelfstandigenaftrek
Een aftrekpost van €2.470 voor ondernemers die voldoen aan het urencriterium.
Zorgkosten aftrek
Specifieke zorgkosten die je niet vergoed krijgt, kun je aftrekken van je belasting.